Hoge Raad verklaart verhoging van de belastingrente voor de vennootschapsbelasting naar 8% buiten toepassing

Op 16 januari 2026 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de bij het Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbi) per 1 januari 2022 naar 8% verhoogde belastingrente voor de vennootschapsbelasting onverbindend is en buiten toepassing dient te blijven, omdat de desbetreffende bepaling van het Bbi in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.

Percentage rentepercentage

Op grond van het Bbi is het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting per 1 januari 2022 verhoogd naar het geldende percentage voor de wettelijke handelsrente met daarbij een minimum van 8%, terwijl op grond van het Bbi voor andere belastingen een lager rentepercentage geldt.

Alhoewel aanvankelijk voor het belastingrentepercentage voor alle belastingen aansluiting werd gezocht bij de wettelijke rente voor niet-handelstransacties, besloot de wetgever in 2014 onderscheid te maken tussen de vennootschapsbelasting en de overige belastingen. Voor de vennootschapsbelasting werd vanaf dat moment aangesloten bij de (hogere) wettelijke rente op handelstransacties met een minimum van 8% en voor de overige belastingen gold de wettelijke rente op niet-handelstransacties met een minimum van 4%. Gedurende de coronacrisis golden in de periode 1 juni 2020 t/m 31 december 2021 voor alle belastingen tijdelijk lagere rentepercentages.

Uitspraak Rechtbank Noord-Nederland

In het onderhavige geval is aan een B.V. bij een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2021 8% belastingrente, te weten een bedrag van € 90.969, in rekening gebracht over de periode 1 juli 2022 t/m 26 augustus 2023. De renteberekening begint immers pas te lopen vanaf 6 maanden na afloop van het belastingjaar. De B.V. was het niet eens met de hoogte van de in rekening gebracht belastingrente en heeft daartegen bezwaar en beroep ingesteld.

Rechtbank Noord-Nederland had in eerste aanleg al geoordeeld dat de betreffende bepaling uit het Bbi in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Om tot dat oordeel te kunnen komen, had de rechtbank allereerst vastgesteld dat het Bbi een algemeen verbindend voorschrift is en niet als wet in formele zin kwalificeert.

Aanwijzing massaal bezwaar

Naar aanleiding van deze uitspraak zijn vele bezwaarschriften door andere belastingplichtigen ingediend. Daardoor heeft de staatssecretaris besloten deze bezwaarschiften als massaal bezwaar aan te wijzen. Door de aanwijzing als massaal bezwaar bepaalt de uitkomst van de procedure bij de Hoge Raad ook rechtstreeks de beslissingen op de bezwaren, die onder het massaal bezwaar voor de vennootschapsbelasting vallen.

Oordeel Hoge Raad

Tegen de uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland heeft de staatssecretaris sprongcassatie ingediend bij de Hoge Raad (bij sprongcassatie wordt het hoger beroep overgeslagen).

In cassatie heeft de Hoge Raad allereerst vastgesteld dat de verhoging van de belastingrente zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd. Vervolgens heeft de Hoge Raad het hogere belastingrentepercentage getoetst aan het evenredigheidsbeginsel.

Volgens de Hoge Raad blijkt uit de wetsgeschiedenis dat met de verhoging van het belastingrentepercentage een budgettair doel wordt gediend. Een lastenverzwaring die geheel of overwegend budgettair is, mag niet zonder goede grond slechts bij één groep belastingplichtigen worden gelegd, omdat deze groep dan onevenredig wordt getroffen. In dat verband stelt de Hoge Raad vast dat belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting en belastingplichtigen voor andere belastingen voor de berekening van belastingrente als gelijke gevallen moeten worden beschouwd. De Hoge Raad heeft geen redelijke rechtvaardiging kunnen vinden om voor alleen de vennootschapsbelasting een hoger rentepercentage te hanteren, zodat de Hoge Raad tot de conclusie komt dat de verhoging van het belastingrentepercentage tot 8% voor de vennootschapsbelasting onverbindend is en buiten toepassing dient te blijven wegens strijd met het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel. Tussen partijen was verder niet in geschil dat de belastingrente in dat geval moest worden berekend op basis van een percentage van 4%.

De Hoge Raad heeft met het oog op de vele procedures, waarin het belastringrentepercentage voor de vennootschapsbelasting ook ter discussie staat en waarin geen overeenstemming bestaat over het toe te passen rentepercentage, ten overvloede overwogen dat bij gelijke toepassing van het belastingrentepercentage voor de overige belastingen geen strijdigheid oplevert met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod. Ook leidt gelijke toepassing daarvan voor de jaren 2022 en 2023 niet tot strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel.

Ingeval de wettelijke rente voor niet-handelstransacties lager is dan 4%, zoals in de jaren 2022 en 2023 het geval is, wordt het belastingrentepercentage op grond van het Bbi op minimaal 4% gesteld. Per 1 januari 2024 is dit minimumpercentage op grond van het Bbi verhoogd naar 4,5%. Alhoewel deze in vergelijking met de hoogte van de wettelijke rente relatief hoog zijn, komen deze minimumrentepercentages volgens de Hoge Raad in beginsel niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Onder bepaalde omstandigheden kan dit echter anders zijn. De Hoge Raad wijkt hiermee af van de conclusie van A-G Koopman, die geadviseerd had om de minimumrentepercentages te negeren en aan te sluiten bij de geldende wettelijke rente voor niet-handelstransacties.

Gelet op het bovestaande, lijkt de kans van slagen van het massaal bezwaar voor de overige belastingen overigens minimaal te zijn.

Mocht u vragen hebben naar aanleiding van het bovenstaande, dan wel hulp nodig hebben bij het maken van bezwaar of bij het controleren van de aan u in rekening gebrachte belastingrente, neem dan contact op met mr. N.B.M. Vink of mr. S. Vink, advocaat-belastingkundigen bij Vink & Partners Legal and Tax.

Bron: ECLI:NL:HR:2026:59