Slapend dienstverband en transitievergoeding

De zwakke plekken in de WWZ komen steeds meer naar voren. Of het nu gaat om seizoenswerk, de vraag of werknemers inderdaad sneller doorstromen naar een vaste baan dan wel de vraag of het ontslagrecht nu wel zoveel eenvoudiger is geworden, vrijwel elke week is er iets om de WWZ (Wet Werk en Zekerheid) te doen. Daar waar vorige week in het nieuws was dat minister Asscher van Sociale Zaken nog deze kabinetsperiode zelf nieuwe voorstellen voor de WWZ wil gaan uitwerken, was deze week te lezen dat de minister – anders dan hij vijf maanden geleden aangaf – toch bereid is de transitievergoeding na twee jaar ziekte te schrappen.

Transitievergoeding na 104 weken

Door de invoering van de WWZ zijn werkgevers ook een transitievergoeding verschuldigd aan werknemers van wie de arbeidsovereenkomst na 104 weken arbeidsongeschiktheid wordt opgezegd. Veel werkgevers hebben hier moeite mee, omdat zij in een dergelijke situatie enerzijds reeds al die tijd loon hebben doorbetaald en kosten voor re-integratie hebben gemaakt, terwijl anderzijds een transitievergoeding in die situatie haar doel voorbij gaat. De transitievergoeding is immers bedoeld – kort gezegd – ter bekostiging van de transitie van werk naar werk, terwijl daarvan bij een volledig arbeidsongeschikte werknemer in beginsel geen sprake zal zijn. Werkgevers vinden het – kort gezegd – dan ook niet terecht dat zij in een dergelijke situatie (nog meer) kosten moeten maken ter zake de transitievergoeding. Dit heeft ertoe geleid dat steeds meer werkgevers ervoor kiezen een dienstverband na 104 weken arbeidsongeschiktheid slapend te houden. Immers, na 104 weken geldt voor werkgever geen loondoorbetalingsplicht meer en door het dienstverband slapend te houden hoeft de werkgever ook geen transitievergoeding te betalen.

  • Nadeel  hierbij kan zijn dat aan een gedeeltelijk zieke werknemer op enig moment alsnog passende arbeid moet worden aangeboden, in geval van passende arbeid deze werkzaamheden als nieuw bedongen arbeid worden aangemerkt (waardoor bij een nieuwe ziekmelding de termijn van twee jaar opnieuw gaat lopen), de omvang van het arbeidsverleden blijft toenemen etc. Het zal onder meer afhankelijk zijn van het perspectief van een werknemer op re-integratie en de vraag of een werkgever eigenrisicodrager is of een “slapend dienstverband” voor werkgever het meest “voordelig” is. 

Brief minister 3 september 2015

In juli 2015 zijn in dit verband Kamervragen aan de minister gesteld, waaronder de vraag of de minister de mening deelt dat het ontwijken van de transitievergoeding, door het onbetaald in dienst houden van werknemers, getuigt van onfatsoenlijk werkgeverschap alsmede welke maatregelen er vanuit de overheid genomen kunnen worden om deze vorm van ontwijking tegen te gaan alsmede of de minister bereid is deze maatregelen toe te passen. Bij brief van 3 september 2015 heeft de minister op deze vragen onder meer geantwoord dat als de enige reden voor het onbetaald in dienst houden van een werknemer is het niet willen betalen van een transitievergoeding, dit niet getuigt van fatsoenlijk werkgeverschap. Daarnaast antwoordde de minister dat de WWZ erin voorziet dat een werknemer zich tot de rechter kan wenden als hij meent dat een werkgever zijn verplichtingen voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst niet nakomt en om die reden de rechter verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Als de rechter oordeelt dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever kan hij aan de werknemer een billijke vergoeding  toekennen en heeft de werknemer op grond van artikel 7:673, lid 1 sub b BW recht op een transitievergoeding. Hiermee kan worden volstaan en aanvullende maatregelen zijn niet nodig, aldus de minister in zijn brief van 3 september 2015. Hierbij is de minister niet ingegaan op een vraag die alsdan opkomt, namelijk of het na 104 weken beëindigen van de arbeidsovereenkomst met betaling van een transitievergoeding een verplichting is die voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst en in het verlengde daarvan de vraag of het slapend houden van een dienstbetrekking – hetgeen, aldus de minister, niet getuigt van fatsoenlijk werkgeverschap – kwalificeert als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever waardoor aanspraak bestaat op de transitievergoeding en een billijke vergoeding gevorderd kan worden.

Rechtspraak

In de rechtspraak is inmiddels de vraag aan de orde geweest of een werknemer betaling van een transitievergoeding kan afdwingen van een werkgever die het dienstverband slapend houdt. In dit verband overwoog bijvoorbeeld de kantonrechter te Almere in zijn vonnis van 2 december 2015 (nadat eerder in een andere zaak de kantonrechter te Leiden had overwogen dat niet kan worden aangenomen dat op de werkgever op basis van de arbeidsovereenkomst een verplichting rust de arbeidsovereenkomst te beëindigen) dat de weigering van werkgever om – in dit specifieke geval na twee jaar arbeidsongeschiktheid en een jaar loonsanctie – de arbeidsovereenkomst te beëindigen, mogelijk onfatsoenlijk is, maar niet ernstig verwijtbaar. De door de werknemer gevorderde transitievergoeding werd dan ook afgewezen.

Minister maart 2016

Uit de rechtspraak volgt dat het werkgevers in beginsel vrij staat de arbeidsovereenkomst van een langer dan 104 weken arbeidsongeschikte werknemer in stand te laten – bijvoorbeeld om geen transitievergoeding te hoeven betalen – ook als de arbeidsovereenkomst feitelijk inhoudsloos is geworden. De minister gaf eerder aan het niet nodig te achten hiertegen (aanvullende) maatregelen te treffen.

Deze week heeft de minister echter in de media aangegeven bereid te zijn de transitievergoeding voor werknemers na twee jaar ziekte te schrappen als de werkgever zich aantoonbaar goed heeft ingespannen voor re-integratie. Hiertoe gaat de minister in gesprek met de betrokken partijen.

Evenals ter zake alle overige aspecten van de WWZ zullen wij ook op dit punt de ontwikkelingen blijven volgen. U kunt bij vragen op dit gebied dan ook altijd contact opnemen met een van de advocaten van Vink & Partners Legal and Tax.